Welke partijen zijn van jou?

Het is iets dat me altijd heeft verbaasd. Als je een schaker vraagt naar zijn beste prestaties, komt hij meestal met zijn winstpartijen. De partijen die hij heeft verloren… ‘Ach, dat was gewoon stom, ongeconcentreerd, zo slecht!’ Wanneer die schaker zijn potjes zou bundelen in een partijverzameling (‘Zijn 50 allergrootste meesterwerken’) dan kwamen die verliespartijen er niet in.

Zijn je winstpartijen inderdaad beter dan je verliespartijen? Natuurlijk niet. Dat is logisch gezien onmogelijk. Oké, je kunt een keer een slechte dag hebben, maar over het algemeen win je van zwakkere spelers en verlies je van sterkere. Dat betekent dat het gemiddeld Elo in het laatste geval hoger ligt, en dat moet zich vertalen in betere zetten.

Van ons
Waarom showen we dan meestal met de partijen die we hebben gewonnen? Volgens mijn schaakvrienden is de oplossing simpel: die partijen zijn van ons. Oké, ook voor die verliespartijen hebben we 4 uur zitten zwoegen, maar het verschil lijkt op dat tussen een huis kopen of het huren. In het eerste geval maak je iedere maand een bedrag over, en heb je vervolgens een huis. In het tweede geval doe je exact hetzelfde – en is dat huis aan het eind van de rit van de ander. Zo is het ook met schaken: de verliespartijen zijn eigendom van de tegenstander.

Het leidt tot een deprimerende conclusie: onze partijen zijn niet de beste, en de beste partijen zijn niet van ons.

Opslaan
Maar het is ook een conclusie die een uitweg kan bieden in een recente discussie. Zoals je hieronder kunt lezen, maakt ene EH2222 bezwaar tegen het systematisch opslaan van partijen, ook van jouw partijen. En dus luidt alweer de vraag: zijn die partijen inderdaad van jou?

Het antwoord is: ja – maar alleen je winstpartijen. Je verliespartijen, daar heb je niets over te zeggen, dat is het domein van je tegenstander. In het geval van EH2222 betekent dit dat zijn winstpartijen inderdaad niet kunnen worden opgeslagen. Maar zijn verliespartijen… daarmee mogen we al die databases gewoon tot de rand toe vullen.

Voor EH2222 biedt dat een bijkomend voordeel. Op de dag dat hij – moegestreden tegen al dat onrecht – besluit om zijn schaakbord aan de wilgen te hangen, is zijn memoires al bijna af. Zijn 50 onvergetelijke meesterwerken, de echt allerbeste partijen, staan gewoon online. Hij hoeft ze alleen maar te bundelen.

15 reacties op “Welke partijen zijn van jou?

  1. Schitterend! Maar hieronder kan ik van EH niets meer vinden. Zijn we door de Russen gehackt? (is dat vegetarisch gehakt?) Of heeft het censuurmonster weer schrapspasmen vertoond? Of heeft EH gewoon zelf het licht gezien? Misschien was mijn voorstel afdoende: Chess 960, klassiek tempo, notatieplicht en publiceren die pareltjes!

    • Het lijkt erop dat EH zelf het licht heeft gezien en nogal rigoureus al zijn eigen bijdragen heeft verwijderd.

  2. Eric heeft aan mij laten weten dat hij het bericht zelf heeft verwijderd.

    Raoul van Ketel
    voorzitter LSG

  3. Ik hoop dat het geschreven stukje niet al te serieus bedoeld is, en anders heb ik met mijn nu volgende, serieuze reactie de ironie niet begrepen.

    De nuance ligt er volgens mij in dat er een significant verschil is tussen iemands beste prestaties en iemands mooiste partijen.

    Als je wordt gevraagd naar je beste prestaties is het logisch dat er winstpartijen worden getoond; immers, een verliespartij is geen prestatie. Maar vraag iemand naar de mooiste partijen die hij/zij in zijn/haar leven gespeeld heeft, en ik weet zeker dat er dan, zij het wellicht niet in al te groten getale, enkele eerbetonen aan tegenstanders of algemeen genomen eerbetonen aan het schaakspel boven water komen, waarbij het eindresultaat er dan ook een stuk minder toe doet.

    Om dat dan vervolgens toe te passen op het “eigendom van een schaakpartij” en of op een discussie over publicatie vind ik persoonlijk dan ook onterecht.

    Het publiceren van gespeelde partijen is wellicht in het beste belang van het schaken (laten we het “continuous improvement” noemen), maar mensen die niet al teveel tijd kunnen steken in het ontwikkelen, en vooral bijhouden van een openingsrepertoire, worden op deze wijze automatisch op een achterstand gezet; mijns inziens kan dat niet de bedoeling zijn.

  4. Interessante discussie. En je hebt een punt: als je met weinig tijd toch een repertoire heb opgebouwd, is het vervelend als dat meteen is terug te vinden in de database. Ik heb zelf nog nooit een nieuwtje bedacht, maar als het ooit zover komt, zal ik het niet meteen op de site zetten.

    Maar persoonlijk vind ik de vrije toegankelijkheid van informatie zwaarder wegen. In de jaren ’80 hoorde je fantastische verhalen over toernooien waarin deelnemers werden benadeeld. Ze hadden namelijk nog geen exemplaar ontvangen van de nieuwe Informator, destijds zo’n beetje de enige bron van openingsnieuwtjes. Maar je raadt het al: een paar spelers hadden die meest recente editie wél kunnen inzien. Niet iedereen was daar even gelukkig mee.

    Op ons niveau gebeurt zoiets in het klein. Wat als ik mijn hypothetische nieuwtje eindelijk op het bord kan brengen? Dan kunnen de omstanders hun repertoire daarmee verrijken, maar de rest van Nederland niet. Of de rest van Nederland daarmee zal zitten – geen idee. Maar het leidt wel tot ongelijkheid.

    Je zegt dat je verliespartijen geen deel uitmaken van je beste prestaties. En je hebt gelijk – maar alleen als je kijkt naar het resultaat. Kijk je in plaats daarvan naar de afzonderlijke zetten, dan zou het best anders kunnen liggen. Je hoort het in alle sporten: goede tegenstanders halen het beste in je naar boven. En vervolgens winnen ze – dat wel.

    Verder ben ik het van harte eens met Q: chess 960. Voor de niet-kenners: https://www.youtube.com/watch?v=KiKT3slu0CQ

    • Op ons niveau gaat het niet zozeer om het nieuwtje dat je zelf hebt gevonden/geanalyseerd, maar meer om een weerlegging van een variant of systeem waar je al wel tijd in hebt geïnvesteerd. Dan wordt je dus gedwongen (!) om je repertoire bij te werken, omdat iedereen weet wat je speelt, en iedereen de weerlegging kan opzoeken. En niet iedereen heeft daar, op ons niveau, de tijd voor i.v.m. verplichtingen voor werk of gezin, want vrijwel niemand is voltijds schaker.

      En ik durf zelfs de bewering aan dat, wanneer iemand meerdere partijen verliest in een systeem of variant die hij zich eigen heeft gemaakt, maar dat inmiddels door de tand des tijds is achterhaald (lees: weerlegd), dat hij alle plezier in het schaken verliest en afhaakt, en het netto resultaat van publicatie van schaakpartijen uiteindelijk teruglopende aantallen schakers zal zijn.

  5. Tactiek speelt een grote rol in schaken. Schaakpartijen worden steeds vaker beslist op trucjes. Dat is niet eerlijk, want mensen die meer tijd hebben of willen besteden aan schaken, zijn in het voordeel. Je kunt daarom voorstellen om elke vorm van training te verbieden; te beginnen met de stappenmethode.

    Het schaakspel is veranderd sinds de komst van de computer. Databases met partijen, maar ook schaakprogramma’s hebben grote gevolgen voor het spel. Ik begrijp dat het lastig is als je weinig tijd hebt of weinig plezier beleeft aan openingen en het voorbereiden op een tegenstander. Maar is het oneerlijk?

    Het is een romantische gedachte dat een schaakpartij wordt beslist op strategisch inzicht, intelligentie en creativiteit. Elke leerling van de basisschool die stap 4 heeft voltooid schaakt sterker dan een hoogleraar. Ok, misschien niet sterker dan Der Jan, maar wel dan een hoogleraar die niet in schaken is geschoold.

    Kennis van opening en eindspel, tactiek en patroonherkenning spelen een belangrijke rol. Op al deze terreinen hebben zich de afgelopen decennia ontwikkelingen voorgedaan. Er zijn mensen die dat niet leuk vinden. Maar is het oneerlijk?

  6. Raoul legt Marcel woorden in de mond die hij niet heeft gebruikt. Vervolgens gaat hij dit weerleggen. Nergens beweert Marcel dat het publiceren van partijen “oneerlijk” zou zijn. Nergens beweert Marcel dat training of de stappenmethode “oneerlijk” zou zijn.

    Dit heet ook wel een “stroman drogreden”: het standpunt van een ander wordt vertekend, waardoor de persoon met het oorspronkelijke standpunt gemakkelijker aangevallen kan worden.

    Wat Marcel wél beweert, is dat verplichte partijpublicatie kan leiden tot een afname in het plezier van het schaken. Dat is een zeer terechte zorg die ook in de praktijk al zichtbaar is. Er zijn verschillende topschakers, ook bij LSG, die wegens de partijpublicatieplicht van de Meesterklasse niet meer in die klasse willen spelen. Sommigen hiervan zijn gestopt met schaken, anderen zijn noodgedwongen uitgeweken naar een lagere klasse.

  7. Dat is niet helemaal waar. Je hebt gelijk: Marcel neemt het woord ‘oneerlijk’ niet in de mond. Maar hij zegt in zijn eerste reactie wel dat een groep schakers op achterstand wordt gezet. Dat komt heel aardig in de buurt.

    Overigens vind ik het prima als partijen niet worden gepubliceerd. Ik houd er gewoon van om mee te discussieren – ook al heb ik geen mening.

  8. @Peter
    De aanduiding “prestaties” is m.i. equivalent met resultaat, vandaar dat ik probeerde e.e.a. te nuanceren met de aanduiding “mooiste partijen”. Een van mijn mooiere partijen die ik bij LSG heb gespeeld, was er eentje waarbij ik totaal in de pan werd gehakt door Justin. Deze is ook gepubliceerd op de LSG website.

    @Raoul
    Zoals Eric terecht opmerkt, heb ik nergens een waardeoordeel geveld, of ook maar geïmpliceerd dat e.e.a. persoonlijk op mijzelf van toepassing is. Ik heb aangegeven dat het mogelijke, maar m.i. zeer waarschijnlijke resultaat van publicatie van partijen een extra (!) voordeel oplevert voor schakers met meer talent, inzicht maar vooral ook middelen, waarvan tijd er één is, bovenop de vele voordelen die ze al hebben.

    Je kunt het evolutie van het schaken noemen en misschien is dat ook het achterliggende idee/doel, maar zodra aannemelijk wordt gemaakt dat de in te voeren maatregel het risico bevat dat spelers afhaken en een van de in mijn ogen mooiste (denk)sporten verder onder druk komt te staan door mogelijk afnemende ledenaantallen, denk ik dat beleidsmakers het signaal serieus moeten nemen.

  9. Ik begrijp heel goed dat mensen de verandering door kennis en voorbereiden minder leuk vinden. Ik probeer dit echter in perspectief te plaatsen. Anderen vinden het niet leuk dat sommigen spelers tactisch beter geschoold zijn en dat ze ‘een mooi opgezette partij verliezen door een trucje’. Volgens mij zit daarachter een waardeoordeel: een (te) romantisch idee van het schaakspel.

    Marcel, je schrijft dat mensen op achterstand worden gezet en dat dit niet de bedoeling kan zijn. Naar mijn idee is ‘de bedoeling’ een waardeoordeel, geen feit. Als je schaken als sport zou beschouwen, is het veel vanzelfsprekender dat kennis en training leiden tot betere resultaten en het gebrek daaraan tot mindere. Volgens mij kun je het ook omdraaien: als je traint, verbeteren je resultaten. Dat zou ook voldoening kunnen geven.

  10. De discussie is verworden tot borrelpraat. Erg gezellig, maar even terug naar de kern. Waar zijn de partijen van LSG 1?

  11. Als een maatregel een beoogd doel heeft, en daar “bijwerkingen” bij zijn, dan kan het nog steeds, zoals ik het zelf noem, “niet de bedoeling zijn”, zonder dat daar een persoonlijke mening of oordeel in is verwerkt. Objectieve analyse van een maatregel, laten we het een risico-analyse noemen, kan deze neveneffecten ook naar boven brengen.

    De maatregel is in mijn optiek vergelijkbaar met het verbreden van de auto’s en de banden in de Formule 1. Het beoogde effect was dat auto’s harder door de bochten kunnen waardoor ze snellere rondetijden zouden kunnen produceren, “bijwerking” was dat de auto’s met de minder krachtige motoren (Renault) die het van hun mechanische grip moesten hebben (Red Bull en Toro Rosso), hun voordeel op de langzamere circuits verloren. De enige die ervan geprofiteerd hebben, zijn de teams van Mercedes en Ferrari; en laten dat nu de sterkste teams zijn.

    Ik geloof best dat men voor ogen heeft dat de schaaksport verder evolueert met het invoeren van een publicatieplicht. Maar degenen die hier het meest van gaan profiteren, en dit is wel degelijk een waardeoordeel, zijn de sterkere spelers, terwijl die slechts een klein percentage vormen van de totale schaakcommunity. Mindere goden, die veruit in de meerderheid zijn, en die met hun beperkte tijd en middelen toch hebben kunnen investeren in hun ontwikkeling, worden nòg verder opzijgeschoven ten gunste van een kleine, elitaire groep.

    Tenslotte, om aan alle verdere onduidelijkheid een eind te maken, ik heb er geen problemen mee dat mijn partijen worden gepubliceerd, en/of dat ik tijd moet investeren om me te ontwikkelen. IK kan die tijd vrijmaken, dat kan niet iedereen.