De laatste GM-norm (deel 1)

Het is afgelopen seizoen in de Meesterklasse gelukt. Ik heb mijn vierde en laatste grootmeesternorm gehaald waarmee ik nu normen over genoeg partijen heb. Om grootmeester te worden blijft nog maar één stap over: mijn rating (2461 nu per 1 mei) moet minimaal 2500 worden. In dit verslag bespreek ik mijn partijen van het seizoen.

Eerst even een korte samenvatting wat er precies voor de GM-norm nodig was. In de negen wedstrijden van het seizoen moest ik aan de volgende criteria voldoen:

  • Minimaal 3 tegenstanders GM. Dit kan heel makkelijk misgaan, zoals bij mij gebeurde in het seizoen 2017-2018 waar ik maar liefst 8 uit 9 scoorde maar geen enkele GM tegen kreeg.
  • Minimaal 2 andere tegenstanders titelhouder (IM/FM etc.). Dit gaat vrijwel altijd vanzelf
  • Gemiddelde van alle tegenstanders minimaal 2380, waarbij de zwakste tegenstander als 2200 geteld mag worden als zijn rating lager is. Dat is meer dan het gemiddelde van de hele Meesterklasse maar is normaal wel te behalen door op hoge borden te gaan zitten of de laatste ronde(n) een tegenstander af te spreken.
  • Score minimaal 7 uit 9. Het kan ook met een lagere score maar dan moet de gemiddelde tegenstand nog veel hoger (2434) zijn en dat is in de competitie niet heel realistisch.

De gemiddelde tegenstand van 2380 die ik nodig heb is niet veel zwakker dan ikzelf dus een score van 7 uit 9 is enorm veel. Laten we dus ronde per ronde kijken hoe ik hieraan gekomen ben! In het verslag ga ik het vooral hebben over de bordkeuze en de opening. Als eerste omdat ik op deze manier een goede inkijk kan geven hoe ik voor de partijen heb voorbereid, wat een enorme basis voor mijn prestatie heeft gevormd en als tweede omdat in deze negen partijen er relatief weinig schokkends of spannends gebeurde in het middenspel en eindspel. Geen grote plot twists laat in de partij, sterker nog ik heb het hele seizoen lang geen zet minder gestaan. Dit is het eerste deel van het verslag met ronde 1-4, later verschijnt deel 2 met de resterende partijen.

Ronde 1: GM Bilel Bellahcene (KC, 2521)

In de eerste ronde speelden we tegen Kennemer Combinatie, flink versterkt ten opzichte van het vorige seizoen en, zoals nu na afloop is gebleken, het beste team van de Meesterklasse en overtuigend kampioen geworden. Ik zat op bord 5 met zwart en verwachtte een sterke tegenstander. Die kreeg ik ook, namelijk Bilel Bellahcene, de nummer 1 van Algerije. Huh? Tja, dat had ik ook niet verwacht. Maar in onze competitie kan je een speler 2 weken voor de wedstrijd lid van de club maken zodat de tegenstander nergens kan zien dat hij mee zou kunnen spelen. Vervelend voor mij, want op alle andere spelers van KC had ik me wel voorbereid. Bij iedereen op zijn minst even kort gekeken wat voor opening op het bord zou komen.

Nu dus een voor mij totaal onbekende tegenstander. Ik speelde Klassiek Siciliaans, dat had ik namelijk tegen sommige andere tegenstanders voorbereid, en toen werd ik verrast met het opmerkelijke 6. h4!?. De voorbereiding van Bilel ging verder met “the only human move” (zijn woorden) 6…e5 en daar had hij wat ideetjes bedacht. Blijkt ook hij nadeel te hebben van het feit dat we elkaar helemaal niet kennen. Iedere Nederlandse schaker weet dat ik vaak Draak speel en zou ernstig rekening houden met 6…g6 wat ik ook speelde. Bilel verwachtte niet dat iemand deze zet zou spelen terwijl de pion op h4 al klaarstaat. Ik zag daarentegen een gunstige Draak omdat wit zijn aanvalszetten niet in de juiste volgorde heeft gespeeld en dat klopt ook gewoon.

Nu is een gunstige Draak niet per se direct ongevaarlijk, zo ging het vanuit de stelling na 6. h4 g6 recent best wel mis met zwart in de opening in de partij Livaic-Warmerdam in de Bundesliga. Daar was wit goed voorbereid én had hij een tegenstander uitgekozen die nooit Draak speelt. Bij mij was van geen van beide sprake en na de volgende zet 7. Le2 was het me helemaal duidelijk dat de opening een succes was. Na 6. Le2 is namelijk …g6 een hoofdvariant en daar bestaat 7. h4 helemaal niet. Ik speelde 7…h5 en om toch nog iets interessants van de stelling te maken verzon Bilel het pionoffer 8. Pxc6 bxc6 9. e5 dxe5 10. Dxd8+ Kxd8 (diagram).

Dit concept had hij namelijk ooit eens gezien, maar hij wist niet meer of het exact in deze stelling was. Ik heb een vergelijkbaar pionoffer zelf meerdere malen met wit gespeeld, maar dan met de zet g3 in plaats van Le2 en geen h4/h5 ingelast. Vooral de loper op g2 staat een stuk beter dan op e2 en iedere keer dat ik die stelling op het bord krijg win ik heel hard. De eerste keer trouwens in Wijk aan Zee 2023 tegen Khoi Pham, die nu een bord naast ons tegen Jelmer aan het spelen was.

De versie die we nu hadden met de loper op e2 was een stuk minder gevaarlijk en zwart is de enige die beter kan staan. Later in de partij had ik een kans op serieus voordeel maar op dat moment speelde ik te enthousiast en kreeg wit zelf ook allerlei tegenspel. De partij eindigde met een zetherhaling in een stelling waar beide koningen bijna in een matnet staan. De remise was een klein beetje jammer gezien het verloop van de partij maar in het algemeen een goed resultaat met zwart tegen een GM.

Ronde 2: GM Hugo ten Hertog (Paul Keres, 2523)

De volgende ronde tegen Paul Keres ging ik met wit aan bord 1 zitten, hetzelfde bord waar ik een seizoen eerder heel soepel van Xander Wemmers had gewonnen in een Caro-Kann. Dit keer werd het opnieuw dezelfde opening, maar nu tegen hun kopman Hugo ten Hertog. Een paar maanden eerder had ik ook al tegen Hugo gespeeld, in het kwalificatietoernooi voor het NK. Dat toernooi werd vorig jaar over internet gespeeld (vraag me niet waarom…) waardoor iedereen ongeveer 200 punten onder zijn normale niveau speelde. Met uitzondering van Arthur de Winter dan die de bijzondere gave heeft om ook met 2D-stukken scherp te blijven.

Hoe dan ook, de online-partij tegen Hugo was van beide kanten matig maar de opening gaf wel stof tot nadenken en ik besloot om nu in de echte partij niet meer dezelfde variant 3. e5 Lf5 4. Pf3 e6 5. Le2 Pe7 6. 0-0 c5 toe te laten en in plaats daarvan af te wijken met 6. c3. Na deze zet zijn alle varianten met snel …c5 minder aantrekkelijk voor zwart en kan hij beter voor een ander plan kiezen. Mede door dit type mogelijkheid in de opening houd ik er enorm van om tegen de Caro-Kann te spelen. Wit heeft dankzij zijn ruimtevoordeel veel verschillende opzetten. Die lijken op elkaar maar zijn dan toch weer anders en vaak begrijpt de zwartspeler de nuances niet en kom ik snel veel beter te staan.

Hugo kende de zet 6. c3 natuurlijk nog wel en koos voor de vrij zeldzame maar wel principiële aanpak met 6…Pg6 7. 0-0 f6. Dezelfde zetten zouden na 6. 0-0 niet goed gewerkt hebben maar in dit geval is het wel gerechtvaardigd om direct mijn centrum aan te vallen. Ik had nog wat verder voorbereid en speelde 8. Pbd2N Pd7 9. Pe1 (diagram), waarmee ik de loper dreig in te sluiten. Die dreiging werd genegeerd en na 9…fxe5? 10. g4 won ik een stuk en de partij.

Ok, ok, het verhaal is ingewikkelder dan dat. Na mijn 9. Pe1 ging Hugo lang in de denktank. De logische zet om de loper te redden is 9…Pf4 en na 10. Lg4 ontstaan er dan wat complicaties. De belangrijkste factor was het feit dat ik duidelijk nog in mijn voorbereiding zat. Dan is het behoorlijk eng om zo’n stelling te spelen met zwart en dus was Hugo op zoek naar iets anders. Ik was overigens helemaal niet eens van plan om 10. Lg4 te spelen, maar in plaats daarvan 10. Pdf3 met stukkenruil en een miniscuul plusje voor wit met zeer grote kans dat de partij in remise eindigt. Leek me prima om dat te accepteren als hij een paar goede zetten in de opening vindt, helemaal gezien de teamsituatie waar ik tegenover hun sterkste speler zit.

Dat werd het niet, want ik had dus het geluk dat Hugo een dubieus stukoffer plaatste. Na 10…e4 11. gxf5 exf5 12. f4 staan de zwarte pionnen goed geblokkeerd en is er niet genoeg compensatie. Wel wat compensatie natuurlijk, gelukkig maar, want anders was het helemaal onmogelijk geweest dat een grootmeester hier op in zou gaan terwijl er een normaal alternatief bestaat. Ik had op dit moment ook nog eens twee keer zoveel tijd op de klok voor de rest van de partij. Die voerde ik langzaam aan tot winst, niet vlekkeloos want dat kan bijna niet in zo’n ongebalanceerde stelling, maar wel gewoon goed genoeg. In het eindspel, met nog steeds een stuk tegen twee pionnen voor, had ik nog een zeer fraaie mogelijkheid om te laten zien hoe erg de zwarte pionnen geblokkeerd staan.

In bovenstaand diagram was de beste voortzetting 45. Kf2 Th1 46. Pf4! Txh2+ 47. Ke3. Als de zwarte toren daarna opzij gaat kom ik binnen over de g-lijn en win ik alle pionnen, te beginnen met d5. En ook na torenruil is zwart helemaal machteloos, want na …b5 houd ik het simpel dicht met b3. Dit offeren van h2 kwam niet in me op, maar met iets meer moeite won ik wel.

Ronde 3: FM Freddie van der Elburg (Apeldoorn, 2232)

In ronde 3 kwam landskampioen Apeldoorn op bezoek. Met 1.5 uit 2 tegen twee GMs was het al duidelijk dat een norm er in zou kunnen zitten, maar zo vroeg in het seizoen heeft het nog geen zin om eraan te gaan rekenen en moet ik gewoon normaal schaken voor het beste resultaat zoals in iedere andere partij. Ik speelde op bord 9, het laagste zwartbord net als in 2018 toen we tegen Apeldoorn voor het eerst landskampioen werden. Het idee was dat ik tegen sommige van hun zwakkere spelers goed op winst zou kunnen spelen. Het werd ook een zwakkere tegenstander: invaller Freddie van der Elburg. Deze ronde was trouwens ook gelijk de laatste keer dit seizoen dat ik met zwart speelde!

Ik had niet specifiek tegen Freddie voorbereid, dus in de opening werd het wat nadenken over welke variant ik wilde spelen. Er kwam 1. c4 op het bord, dat betekent vrijwel altijd geen hoofdvariant Grünfeld meer en inderdaad volgde er 1…g6 2. g3. Deze partij was niet lang na de ECC in Albanië en daar had ik twee keer behoorlijk veel voorbereid in dit Engels. Een belangrijk verschil was dat ik in die partijen altijd tevreden was met vervlakking terwijl ik nu wel op winst moest spelen. Dat was lastig, want ik wist wel dat er een paar vervlakkende varianten waren in mijn ECC-voorbereiding. Aan de andere kant wilde ik toch spelen wat ik het best en meest recent bekeken had en dus werd het de symmetrische variant met 2…Lg7 3. Lg2 c5 4. Pc3 Pc6 5. Pf3 d5 6. cxd5 Pxd5 7. 0-0 Pc6 (diagram).

Hier, en ook al op zet 6 of 7, kan wit d4 spelen en dan wordt het lastig om te voorkomen dat het halve bord leeg gaat. Ik gokte erop dat Freddie dat niet zou doen maar zijn stukken zou ontwikkelen met een prima speelstelling voor beide kanten, en dat gebeurde ook. Door mijn ervaring in het voorbereiden op tegenstanders gaan dit soort gokjes en risico-inschattingen bijna altijd goed. We krijgen er nog meer in de latere ronden!

In de partij kwam ik zelfs snel iets beter te staan, in een stelling waar ik met mijn pion op c5 plus al mijn stukken voor altijd de zet d4 had voorkomen. Vergelijkbaar als in een Maroczy (met omgekeerde kleuren) maar dan met stukken in plaats van een pion op e5. Hoe ik verder moest vanuit die mooie stelling had ik meer moeite mee, mijn volgende zetten waren niet erg samenhangend. Gelukkig was ik wel scherp toen Freddie ineens een grote blunder maakte en won ik een pion waarna de rest simpel uittikken was. Het kritieke moment staat als opgave 1 in het wedstrijdverslag.

Ronde 4: IM Piet Peelen (Zukertort, 2344)

Tegen Zukertort had ik van tevoren een voorkeur voor twee van hun spelers. Eén daarvan was met wit tegen Piet Peelen, dan krijg ik namelijk Caro-Kann op het bord. Ja dat maakt veel uit, tegen deze opening scoor ik bijzonder goed. Gemiddeld heb ik per GM-norm 1.5 Caro-Kann tegen gekregen in 8 partijen (inclusief partijen waar ik zwart heb) en dat is geen toeval. Ik zou er niet aan moeten denken om voor een norm te spelen als al mijn tegenstanders 1…e5 of 1…c5 doen. Ik ging op bord 3 zitten en dat bleek precies raak geschoten.

Ook in een opening waar het normaal gesproken heel prettig spelen is met wit zijn er uitdagingen. De voornaamste is dat zwartspelers op zoek gaan naar geforceerde varianten. Als je maar goed genoeg zoekt lukt het in iedere opening wel om kloppende varianten te vinden die extreem concreet en dus uit het hoofd te leren zijn. Mijn 6.g3-Taimanov met wit waar ik veel mee heb gewonnen is op deze manier inmiddels zo goed als uitgespeeld. Ook met zwart red ik sommige van mijn openingen door het maar geforceerd genoeg te maken, vooral de Draak. In de Caro-Kann is precies dezelfde trend aan de gang en dus slaat er in veel van mijn partijen een zwarte dame in op b2. Het kan namelijk. Nog wat bekende zetten later en ik kwam tegen Piet in onderstaande stelling terecht. Voor mij al de vijfde keer dat ik dit op het bord had.

Zwart staat een pion voor maar heeft nog geen enkel stuk ontwikkeld en moet dus nauwkeurig verdedigen. Afgelopen zomer ging een partij van mij hier verder met 17…Pe7 18. Td2 0-0-0 19. f4!? en nu heeft zwart de keuze tussen …dxc4 en …d4. Mijn tegenstander Jan Seidl koos de verkeerde en kreeg daarna geen kans meer. Denk jij te kunnen beredeneren welke van de zetten wel goed is en hoe zeker ben je erover? Ja, dit eindspel gaat me goed af en voor deze partij stond ik op 3.5 uit 4 wat ook nog eens meer had kunnen zijn. Reden genoeg dus om het te blijven spelen, maar op een gegeven moment ziet de volgende tegenstander de vorige partijen in de database en maakt hij niet meer precies diezelfde fout. Ik moet dus steeds een nieuwe poging bedenken om mijn tegenstander mee te testen, om zijn huiswerk voor te blijven.

Die nieuwe poging had ik ook klaarliggen, maar het kwam niet zo ver. In een competitiewedstrijd kan je natuurlijk niet extreem diep voorbereiden tegen alle 10 tegenstanders en Piet begon al meer dan een half uur na te denken in de stelling na zet 17. Uit dat lange denkwerk kwam ook nog eens de slechte zet 17…dxc4? en de opening was weer een groot succes voor mij. Daarna speelde ik het echter ook niet goed waardoor de stelling lange tijd weer net binnen de remisemarge was. Toch leek een volgend foutje van zwart bijna onvermijdelijk en toen die uiteindelijk mede door tijdnood ook kwam maakte ik het overtuigend en mooi af met een eeuwige penning.

De score staat op 3.5 uit 4 en de norm komt serieus in zicht! Er is nog 3.5 uit 5 tegen gemiddeld 2360 nodig, wordt vervolgd in deel 2!

1 reactie op “De laatste GM-norm (deel 1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*