Dodenrit(1)

Het was nacht in Siberië. Bovendien was het januari en dus verschrikkelijk koud. Uit het geluid dat de diepbevroren sneeuw onder de ijzers van de trojka maakte, konden de zes mannen in de slee opmaken dat het meer dan 40 graden vroor.

"Hoe kon je zo stom zijn", zei Tsjegolev, "Hoe kon je zo stom zijn om uitgerekend vanavond dat idiote Hollands te spelen, Rjoedolf Michaelovitsj!" Rjoedolf Michaelovitsj, wiens achternaam Mjurmotenko was en die dus oorspronkelijk uit de Oekraïne kwam, bromde wat onverstaanbaars en nam nog een slok peperwodka. "Je weet toch", ging Tsjegolev verder, terwijl hij priemend door zijn brilleglazen naar de Oekraïner keek, 'Dat Hollands en Holland synoniem zijn aan slecht." Weer bromde de gezette Oekraïner iets onbegrijpelijks en wierp de inmiddels lege fles peperwodka met een geroutineerd gebaar uit de slee. "Hier; neem dit nou, vervolgde Tsjegolev, terwijl hij een rechthoekig blauw pakje sigarettentabak uit één van de zakken van zijn, van dierenvellen gemaakte jas haalde, "dit komt ook uit Holland. Een of andere slimme zakenman uit dat apenlandje hoorde dat er hier gebrek was aan tabak en stuurde dus vrachtwagens vol van dat spul naar ons toe, met gebruiksaanwijzing. De bedoeling is dat je met behulp van deze papiertjes (Tsjegolev diepte een groen pakje vloetjes op uit zijn jaszak) zelf je sigaretten in elkaar draait. Wat die Hollandse idioten echter vergeten zijn is dat het hier veel te koud is om met blote handen iets rookbaars in elkaar te zetten. Nee, geloof me nou maar, Holland is een dom land en daarom heet die opening ook Hollands."

"Ze kunnen er anders best aardig voetballen', merkte Koroljov op, terwijl hij zijn muts iets verschikte, om te voorkomen dat de ijskoude wind zijn bijna haarloze hoofd zou beroeren. "We hebben maar mooi van ze verloren in '88." "Pwaah!", meesmuilde Tsjegolev, "Dat was geen kunst, Koeznetsov was geschorst en Belanov omgekocht met een Philips-videorecorder. Had die imbeciel van 'n Lobanovski Passoelko opgesteld in plaats van Belanov dan had ik nog moeten zien of die kaaskoppen wel gewonnen hadden." "Hoe weet jij dat allemaal toch altijd zo goed, Gennadi Pjotrovitsj!", hoonde Michael Lavrentovitsj Gotsjakcv, die zich er nu ook mee ging bemoeien. "Ben je soms helderziende of zo?" "Nee Misja", zei Tsjegolev, terwijl hij een hopeloos mislukt Hollands sjekkie aanstak, dat hij met veel moeite met zijn dikke wanten aan gedraaid had, "Helderziende ben ik niet, ik denk na en daarom de enige die vanavond gewonnen heeft." "Wat heeft dat nou met het feit te maken dat jij meent te weten dat Igor Belanov in 1988 door de Hollanders omgekocht was?", vroeg nummer vijf, die Adrian Klementovitsj Mensjik heette. (De zesde inzittende van de trojka, een stille bebrilde Siberiër met Mongoolse trekken, luisterend naar de naam Iwan Artovitsj Kamenev, zat op de bok en nam in het geheel niet deel aan het twistgesprek achter hem: hij had al zijn aandacht nodig om de vier vurige Siberische paarden die de slee trokken de baas te blijven.) "Dat heeft alles met nadenken te maken", antwoordde Tsjegolev. "Een oude Romein zei ooit al eens 'cogito ergo sum', ik denk dus ik besta. Waarmee ik wil zeggen dat zelfs een niet bijster intelligent kind kan beredeneren dat Belanov omgekocht was, anders had hij die strafschop niet gemist. Hij is nou eenmaal een enorme materialist; sinds hij in Duitsland voetbalt is hij al twee keer opgepakt wegens diefstal."

"Michael Lavrentovitsj hier is ook een enorme materialist", zei Koroljov, terwijl hij met zijn vinger beschuldigend naar Gotsjakov wees, "als hij niet zo stom geweest was dat paard op e5 ook nog te pakken, terwijl hij al twee pionnen voorstond, hadden we maar met 4-2 verloren in plaats van met 5-1." "JOB TVOJE MATJ", brulde Gotsjakov, "Als jij net zo veel aandacht voor je bord had gehad als voor die griet achter de bar was het nog wel 3-3 geworden ook, BABANIK!" "Ze mocht er dan ook best wezen viel Mjurmotenko Koroljov bij, "Tjongejonge, wat 'n voorgevel! Zulke memmen vind je verder alleen in Amerika. Weet je dat rijke vrouwen daar er veel geld voor over hebben om één of andere substantie in hun borsten te laten spuiten, waardoor ze wel zo groot als een voetbal worden? Dat stond tenminste in de 'Verchojanskaja Gazjeta' van zaterdag." Dit was natuurlijk de perfecte gelegenheid om over vrouwen te gaan zitten praten: Mjurmotenko en Korol jov begonnen ontzettend tegen elkaar op te scheppen over hun erotische prestaties en veroveringen uit het verleden, af en toe onderbroken door de boze Gotsjakov, die zijn eigen falen op zowel schaak- als liefdesgebied trachtte te verdoezelen door Mjurmotenko en Koroljov genadeloos uit te schelden. Deze twee lieten zich overigens ook niet onbetuigd en maakten Gotsjakov uit voor alles wat mooi en lelijk is. Tsjegolev luisterde nog maar met een half oor en probeerde nog steeds tevergeefs een fatsoenlijke sigaret in elkaar te zetten met de Hollandse tabak en papier. Mensjik, een rustige en bedachtzame figuur, had nog maar een fles peperwodka opengemaakt en liet deze af en toe rondgaan. Kamenev de koetsier, wiens Mongoolse trekken veroorzaakt waren door zijn uit Toengoezië afkomstige moeder, had nog steeds alle aandacht bij zijn paarden.

Terwijl het geruzie tussen Gotsjakov enerzijds en Mjurmotenko en Koroljov anderzijds maar door bleef gaan (Koroljov beweerde nu dat Gotsjakov niet eens in staat was een nymfomane jodin met vijftien kinderen van veertien verschillende vaders te versieren) haalde Tsjegolev, die naast de enige winnaar ook de teamleider was, zijn schouders op en sprak tegen Mensjik: "Altijd hetzelfde liedje met die Gotsjakov, Adrian Klementovitsj! Altijd ruzie zoeken, zelfs als we eens met 6-0 winnen. Ik denk dat ik de volgende keer Kjetellin of Tilovjev maar opstel in plaats van Misja. Die twee zitten wel de hele avond om wodka met elkaar te vluggeren, maar zijn in ieder geval een stuk gezelliger." "Tja", zei Mensjik, "Misschien heb ...". Wat Mensjik wilde zeggen zal echter wel altijd in de nevelen der geschiedenis gehuld blijven, omdat Gotsjakov's gebrul op dat moment alles en iedereen overstemde. "EN NU IS HET UIT", schreeuwde hij, terwijl hij de inmiddels geledigde peperwodkafles bij de hals greep, "IK LAAT ME NIET LANGER BELEDIGEN DOOR DIE TWEE STUKKEN NAGEBOORTE VAN EEN MET SYFILLIS BESMET RENDIER". In plaats van boos te worden begon: Mjurmotenko hard te lachen en stootte Koroljov aan. "Misja weet natuurlijk alles over het liefdesleven van rendieren af.", zei hij. Deze weinig fijnzinnige associatie maakte Gotsjakov nog bozer. Hij zwaaide de lege wodkafles naar achter en gooide deze met enorme kracht naar het lachende hoofd van Mjurmotenko. De Oekraïner bukte zich echter net op tijd, zodat de fles niet hem raakte, maar de achter hem op de bok zittende Kamenev vol tegen de slaap trof. Deze zei slechts: "Kuk" en tuimelde vervolgens bewusteloos van de bok af. Meteen misselijkmakende smak raakte hij de hardbevroren grond van de taiga. De paarden, die opeens de geleidende hand misten, sloegen op hol. Onbestuurbaar en met een enorme snelheid vloog de trojka met zijn menselijke inhoud dieper en dieper de ijskoude Siberische nacht in...

Wordt vervolgd...

Tekst: sVinX

Achtergrond

De namen worden zichtbaar na selectie van de tekst.

Gepubliceerd: LSG-Nieuws, jaargang 29 no 4.


Dodenrit - Drs P.

We rijden met de trojka door 't eindeloze woud
Het vriest een graad of dertig, het is winter en vrij koud
De paardehoeven knersen in de pasgevallen sneeuw
't Is avond in Siberië, en nergens is een leeuw

We reizen met de kinderen, al zijn ze nog wat jong
Door 't eindeloze woud waarover ik zo-even zong
Een lommerrijk en zeer onoverzichtelijk terrein
Waarin men zich gelukkig prijst dat er geen leeuwen zijn

We zijn op weg naar Omsk, maar de weg daarheen is lang
En daarom vullen wij de tijd met feestelijk gezang
Intussen gaat zich iets bewegen in de achtergrond:
Iets donkers en iets talrijks, en het lijkt me ongezond

Ze zijn nog vrij ver achter ons, ik zie ze echter wel
Het is een hele massa en ze lopen nogal snel
En door ons achterna te lopen halen zij ons in
Wat onvoordelig uit kan pakken voor een jong gezin

De donkere gedaanten zijn bijzonder vlug ter been
Ze lopen op vier poten, en ze kijken heel gemeen
Ze hebben grote tanden, dat is duidelijk te zien
Het zijn waarschijnlijk wolven, en kwaadaardig bovendien

Al is de toestand zorgelijk, ik raak niet in paniek
Ik houd de moed erin door middel van de volksmuziek
We kennen onze bundel en we zingen heel wat af
Terwijl de wolven nader komen in gestrekte draf

Het is van hier naar Omsk nog een kleine honderd werst
't Is prettig dat de paarden net vanmiddag zijn ververst
Wel jammer dat de wolven ons toch hebben ingehaald
Men ziet de flinke eetlust die hun uit de ogen straalt

We doen heel onbekommerd en we zingen continu
Toch moet er iets gebeuren onder moeders paraplu
En zonder op te vallen overleg ik met mijn vrouw
"Wie moet er aan geloven," vraag ik, "toe, bedenk eens gauw"

"Moet Igor het maar wezen?", "Nee, want Igor speelt viool"
"Wat vind je van Natasja?", "Maar die leert zo goed op school!"
"En Sonja dan?", "Nee, Sonja niet, zij heeft een mooie alt"
Zodat de keus tenslotte op de kleine Pjotr valt

Dus onder het gezang pak ik het ventje handig beet
Daar vliegt hij uit de trojka met een griezelige kreet
De wolven hebben alle aandacht voor die lekkernij
Nog vierentachtig werst en o, wat zijn wij heden blij

We mogen Pjotr wel waarderen om zijn eetbaarheid
Want daardoor raken wij die troep voorlopig even kwijt
Zo jagen wij maar voort als in een gruwelijke droom
Ajo ajo ajo al in die hoge klapperboom

Daar klinkt weer dat gehuil, en onze hoop is weer verscheurd
De wolven zijn terug en nu is Sonja aan de beurt
Daar gaat het arme kind, zij was zo vrolijk en zo braaf
Nog achtenzestig werst en in Den Haag daar woont een graaf

Ik zit nog na te peinzen en mijn vrouw stort menig traan
En kijk daar komen achter ons de wolven al weer aan
Dus Igor, 't is wel spijtig maar jij wordt geen virtuoos
Nog tweeënvijftig werst en daar was laatst een meisje loos

Nu Igor is verwijderd hebben wij weer even rust
Maar nee, daar zijn de wolven weer, op nog een part belust
De doodskreet van Natasja snijdt ons pijnlijk door de ziel
Nog zesendertig werst en in blauwgeruite kiel

Mijn vrouw en ik zijn over, dus we zingen een duet
En als 't even mee wil zitten halen we het net
Helaas, ik moet haar afstaan aan de hongerige troep
Nu nog maar twintig werst en Hoeperdepoep zat op de stoep

Ik zing nu weer wat lustiger want Omsk komt in zicht
Ik maak een sprong van blijdschap en verlies mijn evenwicht
Terwijl de wolven mij verslinden, denk ik "Dat is pech
Ja Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg"

(Trojka hier, trojka daar)
Ja, je ziet er veel dit jaar
(Trojka hier, trojka daar)
Overal zit paardehaar
(Trojka hier, trojka daar)
Steeds uit voorraad leverbaar
(Trojka hier, trojka daar)
Zachtjes snort de samovaar
(Trojka hier, trojka daar)
Met een Slavisch handgebaar
(Trojka hier, trojka daar)
Doe het zelf met naald en schaar
(Trojka hier, trojka daar)
Is dat nu niet wonderbaar
(Trojka hier, trojka daar)
Twee halfom en een tartaar
(Trojka hier, trojka daar)
Een liefdadigheidsbazaar
(Trojka hier, trojka daar)
Hulde aan het gouden paar
(Trojka hier, trojka daar)
Foei hoe suffend staat gij daar
(Trojka hier, trojka daar)
Moeder is de koffie klaar
(Trojka hier, trojka daar)
Kijk daar loopt een adelaar
(Trojka hier, trojka daar)
Is hier ook een abattoir
(Trojka hier, trojka daar)
Basgitaar en klapsigaar
(Trojka hier, trojka daar)
Flinkgebouwde weduwnaar
(Trojka hier, trojka daar)
Leve onze goede Tsaar!